Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Attila Szekeres (1923 – 1974)

 

Inhoud

 

1 De hermeneutiek van Attila Szekeres

2 Biografische schets

Aantekeningen

 

1 De hermeneutiek van Attila Szekeres

 

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ontwikkelde Attila Szekeres zijn hermeneutiek, waarin hij aan de ene kant veel kritiek uitoefende op de in die tijd bestaande concepten van bijbeluitleg en aan de andere kant met een bijbelinterpretatie kwam, die hij typeerde als verbondsmatig. Onder het verbondsmatige verstond hij de relatie tussen heils- en scheppingsuitspraken in de bijbel. Deze relatie werd in de bekritiseerde concepten van bijbeluitleg verbroken. Zijn kritiek richtte zich op bijvoorbeeld de concepten waarin de bijbel onderworpen werd aan kerkelijk leergezag, of uitgelegd met behulp van uit hun context gelichte teksten, of louter existentieel of louter universeel, of vanuit het dogma.[1]

 

Vanwege zijn vroege dood, hij was 50 jaar toen hij stierf, heeft hij zijn hermeneutiek niet kunnen voltooien. Zijn hermeneutiek bestaat uit een reeks artikelen, die hij heeft nagelaten. De belangrijkste daarvan zijn de volgende.

 

De structuur van de filosofische theologie, ’s-Gravenhage 1961

‘Is psalm 19 een natuurpsalm?’ In:Veritatem in Caritate, ’s-Gravenhage/Brussel 1962

‘Pierre Teilhard de Chardin’, in: Nederlands Theologisch Tijdschrift, 16e jaargang aflevering 4, april 1962, pag.291-314

‘Schrift en Traditie’, in: Kerk en Theologie, 14e jaargang nr.4, ’s-Gravenhage  1963, pag.250-259

‘De theologische betekenis van Teilhard de Chardin’, in: Kerk en Theologie, 15e jaargang nr.4, ’s-Gravenhage 1964, pag.271-282

Le Christ cosmique de Teilhard de Chardin, Antwerpen 1969

Christuswaarheid en wordende schepping, Amsterdam 1970

‘De theologische zin van de Schriftwording als hermeneutisch probleem’ in: Vox Theologica, 41e jaargang 1971, pag.253-271

‘Noodzaak en mogelijkheid van een dubbele verificatie in de theologie’, in: Kerk en Theologie, 25e jaargang, ’s-Gravenhage 1964.

 

De belangrijkste noties in de hermeneutiek van Szekeres zijn de volgende.

 

1 Schriftwording

De bijbel is het resultaat van een proces, dat lange tijd in beslag heeft genomen. Dat proces is volgens een bepaalde wetmatigheid verlopen. Een bijbelse hermeneutiek dient zich daarom te oriënteren aan deze wetmatigheid van de Schriftwording.

 

2 Exodus

Deze wetmatigheid bestaat uit de centrale positie, die het exodusgebeuren in het Oude Testament inneemt en de relatie die deze positie meebrengt ten aanzien van alle andere uitspraken in het Oude Testament. Deze andere uitspraken kregen in het groeiproces van de bijbel een steeds meer universeel karakter. De hermeneutiek dient, ook in de uitleg van concrete teksten, zich steeds rekenschap te geven van deze relatie. Een hermeneutiek die schriftuurlijk wil zijn dient, net als de Schrift zelf, in te zetten bij het exodusgebeuren. Dezelfde wetmatigheid is te vinden in het Nieuwe Testament, waarin het Christusgebeuren als tweede exodus het centrale gegeven is van waaruit alle andere uitspraken hun betekenis krijgen.

 

3 Verbondsmatig karakter van de bijbel

De structuur, die uit de wetmatigheid van het groeiproces van de bijbel blijkt, typeert Szekeres als verbondsmatig. Dat houdt in dat alle concrete teksten in het Oude Testament op de een of andere manier met het centrale gegeven van exodus verbonden zijn. Een bijbelse hermeneutiek dient dan ook dezelfde structuur te hebben. De theologische zin van de schriftwording onthult ons, dat de persoonlijke, existentiële ervaringen (exodus, opstanding van Christus) die het centrale punt van zijn ontwikkeling vormen, in de loop van hun schriftuurlijke ontwikkeling in voortdurend wijdere perspectieven geplaatst worden om uit te lopen in kosmische dimensies. Vanuit deze notie zet Szekeres zijn kritiek in op verschillende vormen van hermeneutiek.

 

4 Canonafsluiting

In veel hermeneutiek wordt het verbondsmatig karakter van de Schrift verbroken. Dat is al waarneembaar in het Apostolicum. Op het moment dat uitspraken in de bijbel niet meer in verband worden gebracht met het centrale gegeven van de exodus krijgen deze uitspraken hun oorspronkelijke structuur weer terug. Op deze wijze ontstaan bijvoorbeeld filosofische, natuurlijke of godsdiensthistorische hermeneutieken. De verbondsmatige zin van de Schrift gaat daarin verloren. Om dit gevaar te bezweren is, volgens Szekeres, de zin en betekenis van de canonafsluiting. De canonafsluiting was dus nodig om de band tussen soteriologie en kosmologie te handhaven.

 

5 Laatste woorden

Met de canonafsluiting werd de Schrift voltooid. De laatste uitspraken, die nog werden toegevoegd waren met name universele uitspraken aangaande de natuur. De scheppingsuitspraken in de bijbel zijn dus in de hermeneutiek van Szekeres laatste uitspraken en geen eerste. De kerkelijke theologie heeft deze tot eerste uitspraken gemaakt, met name in de dogmatiek, die klassiek gezien begint met de scheppingsleer. De zin van de scheppinguitspraken in het Oude Testament is het universele karakter van de exodus tot uitdrukking te brengen en niet een filosofie te geven over het ontstaan van de wereld.

 

6 Soteriologie en kosmologie

De zin van kosmologische uitspraken in de bijbel wordt ontleend aan de soteriologische uitspraken en niet omgekeerd. De natuur in de bijbel ontleent haar betekenis aan het heil in het Oude Testament aan Israël geschonken. Veel hermeneutiek volgt een omgekeerde weg: het heil wordt geplaatst binnen het kader van een kosmologie. In dit soort hermeneutiek gaat het heil al spoedig verloren. In de traditionele kerkelijke leer van schepping, zondeval en verlossing door Christus is exodus verdwenen. Een gevolg is onder meer dat Christus wordt losgemaakt van de schepping en zijn betekenis beperkt wordt tot het redden van de mens van zijn zonden. De schriftuurlijke samenhang tussen heil en heelal wordt over het hoofd gezien. De draagwijdte van de Christuswaarheid reikt niet verder dan de verzoening, niet verder dan het terugbrengen van de zondige mens tot God. Een uitspraak, zoals te vinden in de brief aan de Kolossenzen: ‘alles is door hem en voor hem geschapen’ (Kolossenzen !:16) wordt dan onbegrijpelijk. De exegese dient daarom te staan in deze dubbele spanning: existentiële heil en universele dimensies.

 

8 Analogia praedicationis

De universele of scheppingsuitspraken zijn daarom in de Schrift geen abstracte uitspraken, maar de universele uitdrukking van datgene wat eerst existentieel werd ervaren en beleden. Deze samenhang tussen heil en heelal typeerde Szekeres met het oog op de exegetische methodiek als analogia praedicationis, als verkondigingsanalogie.

 

7 Annexatie van verleden en toekomst

De theologische zin van de schriftwording openbaart zich hierin, dat een hermeneutisch primair existentieel heilsgebeuren – in casu het exodusgebeuren – in steeds grotere en bredere perspectieven wordt gesteld, om de universele, dat wil zeggen, de grenzen van het toenmalig heilshistorisch heden verre overschrijdende betekenis van de openbaring van Jahwe, tot uitdrukking te brengen. De draagwijdte van Jahwe’s zelfopenbaring is gróter, dan het exodusgebeuren zelf. Daarom wordt krachtens de existentialiteit van het toenmalige heilshistorische heden, zowel het verleden als de toekomst van het verbondsvolk geannexeerd. Daarmee komen alle heilsfeiten in het licht van het exodusgebeuren te staan. Ze worden van daaruit geïnterpreteerd. Niet slechts de toekomst van Israël wordt hier in volslagen nieuw licht gesteld, maar ook het verleden van dit volk wordt vanuit het exodusgebeuren aldus opnieuw geïnterpreteerd.

 

2 Biografische schets[2]

 

Attila Szekeres werd op 3 april 1923 te Sarkad in het uiterste oosten van Hongarije geboren. Zijn moeder wijdde zich aan de opvoeding van hem en zijn zuster Rosa. Zijn vader zette al vroeg een stempel op het geloofsleven van Attila. Als jonge man zag hij de Duitse en Russische troepen zijn land binnenkomen. Sindsdien is hij zich bewust van de ernst van het leven en van de noodzakelijkheid om partij te kiezen en zich persoonlijk in te zetten.

In Gyula doorliep hij het gymnasium, waarbij hij opviel door zijn intelligentie en zijn prestaties in de sport, waar hij menige onderscheiding behaalde bij hardloopwedstrijden. Vervolgens studeerde hij theologie en filosofie aan de universiteit van Debrecen, dat door de Hongaren wel het ‘protestantse Rome wordt genoemd. In 1946 werd hij summa cum laude kandidaat voor het predikantschap en assistent op het Wijsgerig instituut. Hoewel zijn geloofsopvoeding nogal fundamentalistisch was ingesteld, verloor hij deze achtergrond tijdens zijn studie theologie, met name door de studie van het onderzoek naar de wording van de bijbel.

In 1947, hij was inmiddels 24 jaar, kon hij zijn universitaire studie in Utrecht voortzetten. Dit was mogelijk vanwege het ‘stipendium Bernardinum’, dat sedert meer dan twee eeuwen jonge theologen de gelegenheid bood tot verdere studie aan de universiteit in Utrecht. In 1949 behaalde hij daar zijn doctoraal examen in de godsdienstfilosofie, de kennis van het Nieuwe Testament en de dogmengeschiedenis. Hij was in 1947 naar Utrecht gegaan en heeft zijn vaderland nooit meer terug gezien. In dat jaar kreeg de communistische partij in de republiek Hongarije namelijk het grootste aantal zetels bij 22% van de stemmen. Een jaar later fuseerden de communisten met de socialisten en ontstond er een éénpartijstelsel, met een marxistisch-leninistisch staatsbestel. Daarmee ontstond de Volksrepubliek Hongarije, die heeft bestaan tot 1989. In deze communistische staat werden de kerken aan banden gelegd. Ook de calvinistische kerk, waartoe Attila Szekeres behoorde kreeg het zwaar te verduren. Befaamde theologen werden afgezet, waaronder één van zijn leermeesters, de dogmaticus Török István en de erudiete aartsbisschop Ravasz László. In de plaats van hen werden stromannen benoemd van de communistische partij. Voor Attila Szekeres bracht deze ontwikkelingen in zijn vaderland met zich mee een keuze voor terugkeer of ballingschap. Hij koos voor het laatste en bleef de rest van zijn leven in West-Europa. Het verdriet daarover verdroeg hij in stilte, maar regelmatig gaf hij in artikelen blijk van zijn medeleven en sympathie met zijn leraren en vrienden in zijn vaderland. Zijn zuster Rosa was inmiddels getrouwd met iemand, die lid was van de communistische partij. Daardoor was de verhouding met zijn familie stroef. 

 

Intussen moest hij zich thuis gaan voelen in Nederland, zijn nieuwe vaderland. Met behulp van kinderboeken en kranten maakte hij zich in snel tempo meester van de Nederlandse taal. De band met Nederland werd, naar hijzelf onthulde, versterkt door een historische gebeurtenis in 1676. Toen had Michiel Adriaanszoon de Ruyter uit eigen middelen aan de regering in Napels een losgeld betaald voor tweeëntwintig van de tweeëndertig calvinistische Hongaarse predikanten, die nog in leven waren en door de Rooms Katholieke Kerk tot de galeien veroordeeld waren. Admiraal De Ruyter gaf hun de vrijheid terug. Voor Attila betekende de herinnering, waarvan een monument in Debrecen getuigde, een stimulans zich in zijn nieuwe vaderland, dat zich zo had ingezet voor de vrijheid, thuis te voelen.

Op 7 februari 1952 verleende de universiteit van Utrecht hem de titel van doctor in de godgeleerdheid op de verdediging van zijn proefschrift De structuur van de theologie van Emil Brunner. Hij is toen inmiddels 29 jaar. Wegens een overschot aan jonge predikanten in Nederland, gelukte het hem niet een gemeente te vinden. Uiteindelijk werd hij in 1954 predikant van de Protestantse Gemeente in

Leuven in België. Daarnaast werd hij ook godsdienstleraar aan het lyceum en atheneum te Leuven. In datzelfde jaar werd er een Nederlandstalige afdeling geopend aan de faculteit van de Protestantse Theologie in Brussel, uitgaande van de Bond van Protestantse Evangelische kerken. Attila Szekeres werd aan deze faculteit benoemd als hoogleraar. Op 18 december 1955 hield hij zijn inaugurele rede met als onderwerp ‘Theologie en wijsbegeerte’. Aanvankelijk gaf hij onderwijs aan de Nederlandstalige sectie van deze faculteit en sedert 1966 ook aan de Franstalige sectie. In 1970 werd hij decaan van de Franstalige afdeling. De vakken, die hij doceerde waren: geschiedenis van de wijsbegeerte, godsdienstwijsbegeerte, encyclopedie van de theologie, dogmengeschiedenis, esthetiek en hermeneutiek. In 1968 kreeg hij van de Belgische staat de onderscheiding van officier in de Orde van Leopold.

 

Szekeres woonde in de villa Olanda in Kortenberg, een dorpje gelegen tussen Brussel en Leuven. De villa was eigendom van mevrouw Rutgers. De landelijkheid van de omgeving, de prachtige tuin vol met bloemen en de manier van inrichting van zijn studeerkamer deden sterk denken aan Hongarije. Zijn studeerkamer ademde in alle opzichten de sfeer van zijn geboorteland: het bureau midden in de kamer, uitzicht op de tuin, de geborduurde doeken en plaatjes en foto’s bevestigd op de boekenkasten, originele schilderijtjes van het Hongaarse landleven aan de wand en verscholen tussen een stapel boeken een fles barack, de in Hongarije geliefde drank. Hoewel hij veel contacten had met collega’s en studenten, en ook internationaal, bleef hij in de ogen van velen een eenzame man, als een vreemdeling in ons midden. Ook in de relatie met een Joodse vriendin bleef hij voor haar uiteindelijk een vreemde. Waarschijnlijk hield hij aan haar een grote belangstelling over voor het Jodendom en de Joodse mystiek.

 

 

In zijn werk werd Attila Szekeres geboeid door de structuur van het menselijk denken. Hij vond de filosofen waardevolle gesprekpartners voor de theologen. Hij legde een grote bereidheid aan de dag om naar de ander en diens werk te luisteren en te wijzen op de positieve elementen en op de aanknopingspunten voor de dialoog. Op dezelfde wijze was hij ook voortdurend in gesprek met zijn studenten. Tevens had hij grote belangstelling voor de kunst in haar verschillende verschijningsvormen. Grote bewondering had hij voor de kunstschilder Delacroix en voor de Hongaarse dichter Endre Ady en de Franse dichter Baudelaire. Soms droeg hij zijn studenten gedichten voor, zoals die van Ady, die hij eerst in het Hongaars reciteerde, maar daarna voorzag van een Nederlandse vertaling. In Ady kon Attila zich herkennen, want hij dichtte over afscheid nemen, dwalen en onderweg zijn. De sfeer die deze gedichten opriepen hing ook om Attila Szekeres zelf. Het was een sfeer van eenzaamheid, somberheid en melancholie. Eén geciteerde zin herinner ik mij nog: ‘verdwaald te zijn in de verstikkende mist en moeras’. Baudelaire bewonderde hij onder andere omdat deze als dichterlijke taak zag de aardse werkelijkheid te veredelen en zelfs in het kwaad het schone te laten opbloeien. ‘Zo kan de kunst een bijdrage zijn tot herschepping der wereld door God zelf ter hand genomen’, schreef hij over de kunst van Beaudelaire.[3]

 

 

 

Hij hield zich intensief bezig met de werken van Teilhard de Chardin. Hij had toegang tot alle documenten van Teilhard, die in bewaring waren bij Mm. Jeanne Mortier, die de zorg voor de successieve publicatie op zich genomen had. Szekeres behoorde, als enige protestant, tot de ‘zeven wijzen’, die beslisten over de uitgave van Teilhards litteraire nalatenschap. Hij vond de methode van Teilhard antimetafysisch en daardoor van betekenis voor de theologie. Hij vond echter dat het werk van Teilhard door theologen niet moest worden overgenomen, maar vertaald binnen de context van het theologisch denken.

Aangetast door een kwaadaardige virusaandoening in zijn keel, werden hem medicijnen aangeraden, die in België niet verkrijgbaar waren. Hij trok naar Aken om die daar te bemachtigen. Daar is hij op dinsdag 12 maart 1974 plotseling overleden. Hij werd begraven te Erps-Kwerps bij Kortenberg.

H. Berkhof, die toen hoogleraar voor dogmatiek en bijbelse theologie was te Leiden, typeerde hem als een oorspronkelijk denker. Voor wat de relatie Szekeres en Teilhard betreft schreef Berkhof het volgende. ‘Hij waagde het om – op voorgang van Barth, maar veel radicaler dan deze – “heil en heelal” op elkaar te betrekken. Daarmee raak ik aan zijn specialisme: Teilhard de Chardin. Hij heeft deze grote denker uit de “natuurlijke theologie”, op een verrassende wijze met behulp van Barth vruchtbaar gemaakt voor een echte openbaringstheologie.’[4]

 

Aantekeningen



[1] ‘De theologische zin van de Schriftwording als hermeneutisch probleem’ in Vox 41, pag.253-271.

[2] Ontleend aan de uitgave Heil en elan (een overigens foutieve titel. Deze moest zijn ‘heil en heelal), Amsterdam 1974, pag.7-9, in een bewerking van mij, Aartjan van den Berg.

[3] Prof. Dr. A. Szekeres, ‘Over het satanisme van Charles Baudelaire’ in: De Vlaamse Gids, jaargang 52, nummer 3, maart 1968, pag.21-29.

[4] H. Berkhof, ‘Zijn trouw’ in: Skandalon, studentenblad van de Protestantse Theologische faculteit van Brussel, 8e jaargang 1973-1974, nummer 4.



< Terug naar inhoudsopgave